De
winnaar van de schrijfwedstrijd ‘Brief naar Batavia’ is bekend. De heer Bert
Fakkeldij (foto) uit Lelystad schreef een prachtige brief en heeft een
ballonvaart met de ‘Lelystad geeft luchtballon’ gewonnen.
De
jury heeft meerdere mooie en verrassende brieven mogen ontvangen, echter sprong
de brief van de heer Fakkeldij er volgens de jury met kop en schouders
bovenuit. Het taalgebruik was bloemrijk en gedragen. Daarnaast is het een
verhaal wat je onthoudt en werden er leuke zijdelingse links gebruikt, aldus de
jury.
De
prijs, een ballonvaart voor 3 personen met de ‘Lelystad geeft luchtballon’,
wordt aangeboden door de stad Lelystad en de samenwerkende instanties van de
tentoonstelling Schipbreuk.
De
winnende brief:
“Met vriend die God geleide door
zee”
Amsteldam, op de dag des Heren de 4e
Mei van het jaar 1628
Aan mijn Geliefde Echtgenoot, de
Weledele Heer Boudewijn van der Mijlen
Opperkoopman der Vereenigde
Oost-Indische Compagnie te Batavia.
Mijn allerliefste echtgenoot en
hartsvriend,
op
mij rust een zware en schier onmogelijke taak. Ik ben tot in mijn ziel diep
bedroefd U het smartelijk verlies te moeten mede delen van onze eniggeboren
zoon, mijn kleine aller-teerst beminde Maarten. Het valt mij zwaar mijn hevige
aandoeningen te bedwingen en U deze onheilsmissive te sturen. Ik koester de
vurige hoop dat dezelve, met God’s hulp U zal bereiken.
Mijn
lieve uitverkoren man, ik weet zelfs niet of gij leeft of dood zijt. Na het
bericht over uw benoeming hebben mij geen brieven meer bereikt. Eerst nu vind
ik de moed mij aan de schrijftafel te zetten. O, hoe wreed heeft de Zwarte Dood
onze lieve kleine getroffen. In het vroege voorjaar, voor dertig dagen, toen de
snaveldokter het oordeel velde dat hij naar het pesthuis moest, bezwijmde ik
bijkans.
Mijn
hart brak bij het aanschouwen van de afschuwelijke builen op zijn tedere
lijfje. Enige dagen later heeft de Heer hem tot zich genomen. Weswege hebben
wij deze straf verdiend? Zo velen zijn reeds bezweken en ik voel mij bevreesd.
Ik ben zo bedroefd dat gij zich uw zoon slecht als zuigeling zult kunnen
herinneren.
Ik
wenste wel om een lief ding dat gij dat lieve hartje met zijn stevige beentjes
op zijn stokpaardje had kunnen zien. Hij reed zo koddig in galop! Steeds maar
rond en rond tot hij vuurrood ten laatste doodmoe was en zomaar omviel. Wat
hadden we toch een schik samen! En hoe onbeschrijflijk wreed en smartelijk was
het hem te zien lijden, maar de Heere geeft en de Heere neemt en zijn wegen
zijn ondoorgrondelijk.
Mijn
lieve man, ik ben wanhopig. Wat moet ik doen. Zullen wij ooit in Batavia worden
herenigd? Hoe kan ik zuidwaarts zeilen zonder uw langverbeide brief met het
verlos-sende bericht dat mijn geliefde echtgenoot zijn belofte gestand doet en
van mij verlangt dat ik scheep zal gaan? Hoe vergaat het U toch? Zijn de zaken
in Batavia naar behoren geregeld? Zijt gij nog gezond en recht van lijf en
leden? Onzekerheid versnelt mijn harteklop. Waar blijft toch uw brief na
ontvangst waarvan ik mij verheugd zal spoeden naar het Oost Indisch Huis.
Op
voorspraak van De Weledele heer Johan Huydecoper van Maarsseveen, U welbekend
en een machtig heer in de VOC is mij, alsmede mijn meid Swaantje Hendricx, een
plaats achter de mast toegewezen op een van de aankomende voyagies naar Oost
Indi. De heer Huydecoper is mij
zeer tot steun geweest in deze moeilijke tijd en hij heeft mij gezeid er van
overtuigd te zijn dat er aan boord van het volgende retourschip zich vast voor
mij een brief van U zou bevinden.
O,
hoe verheug ik mij op ons weerzien. Gij zult in deze brief een portretje
aantreffen van onze diepbetreurde arme kleine. Het prentje is getekend door een
jonge kunst-schilder die hier in de leer was bij Pieter Lastman. Hij heet
Rembrandt Harmensz. van Rijn en komt uit Leiden.
De
ingevouwen haarlok, dewelke u eveneens aantreft, is van mij. Beschouw dit als
een hoopvol teken dat wij in het jaar des Heren 1629 weer bij elkander zullen
zijn.
Een
haarlok van mijn kleine lieveling koester ik en zal ik altoos koesteren, als
een aller-dierbaarst kleinood, in een zilveren doosje dicht bij mijn hart.
Soms,
als ik aan de komende reis denk, is het mij bang te moede en des nachts heb ik
afschrikwekkende dromen. In een daarvan koerst het schip bezuiden de linie bij
volle maan door Indische wateren met alle zeilen bijgezet, voortgestuwd door
stevige winden. Het licht der maan glinstert over de zee en verbergt
verraderlijke klippen, niet ver van de vreemde kusten van het Zuidland. Ik
schrik geweldig van een zware schok gevolgd door krakend hout en glij pardoes
van het hellend dek. Mijn hoofd bonkte tegen de deur van de grote bedstee. Een
ander keer droomde ik dat, behalve mijn lieve kleine, ook gij mij nog zoude
ontvallen, van mij weggerukt door een wrede Indische koorts.
Wat
een vrouwmens zich niet allegaar inbeelden kan! Ach, mijn aandoeningen vallen
mij weer zwaar. Ik bid God elke dag dat ik U, mijn man en hartsvriend, zal
weerzien in Batavia.
Uw liefhebbende en toegewijde
huisvrouw,
Lucretia van der Mijlen
Deze
brief werd onlangs bij toeval ontdekt op een stoffige zolder in Leiden. Samen
met het portretje en enkele souvenirs uit Indië, in een fraai bewerkt Javaans
houten kistje.
Lucretia
was vertrokken op 29 oktober 1628 aan boord van het schip de Batavia. Toen zij
na alle doorstane beproevingen, t.w. schipbreuk en muiterij, met de Saerdam in
Batavia arriveerde bleek haar man inderdaad te zijn overleden en zij heeft
kennelijk haar brief in zijn nalatenschap aangetroffen.
Zij
is nog tweemaal hertrouwd. Het is niet bekend of zij nog kinderen heeft gehad
en zij is gestorven in Leiden.
Bert Fakkeldij / nov. 2011
.